In de Eigen Hulp-woningen wonen vier Joodse gezinnen.
Het gezin Van Praag, aan de Uithoornstraat 2-hs, duikt onder; alleen de twee zoontjes overleven de oorlog. Het huisartsengezin Gompertz, aan de Amsteldijk 121 en 122-hs, probeert tevergeefs naar Zwitserland te vluchten. Hartog Melkman, wonend aan de Amsteldijk 110-1 hoog en gehuwd met een niet-Joodse vrouw, blijft aanvankelijk buiten schot, maar wordt later alsnog opgepakt.
Liepman Prins, van de Uithoornstraat 2-hg, wordt gearresteerd en via Westerbork naar Bergen-Belsen gebracht, maar keert na de oorlog terug. Zijn vrouw Elisabeth Polak blijft met hun vier kinderen achter en ontsnapt ternauwernood aan een razzia, dankzij een gelukkig toeval en de hulp van haar buurman Jannis Cappon, die in het verzet zit.
In Amsteldijk 122-hs, waar Louis Gompertz zijn praktijk aan huis had, vertellen bewoner Carla de Groot en Sonja van der Valk over hun lot en dat van hun Joodse buren