Toekomst van Herdenken
’s Morgens om negen uur gingen we in onze pyjama’s in de keuken zitten. ‘s Middags om vier uur zaten we er nog’
De moeder van Sylvia Veffer kon over de oorlog vertellen alsof ze voorlas uit een spannend boek.
17 maart 2021 - door Merav Pront

Als kind kon Sylvia Veffer (67) uren luisteren naar de oorlogsverhalen van haar moeder. Nu is ze zelf verteller bij Open Joodse Huizen-Huizen van Verzet. Toch verwacht ze niet dat er over veertig jaar nog mensen op de Dam zullen staan. ‘Natuurlijk vind ik het jammer. Maar je doet er weinig aan, dus ga ik me er ook niet druk om maken.’

Sylvia Veffer is een dochter van kampoverlevenden. Dat is het eerste wat ze tegen me zegt als we elkaar in december ontmoeten aan de telefoon. Daarnaast is ze trotse oma, moeder en zakenvrouw. En momenteel erg druk met een verhuizing, dus of ik haar later terug kan bellen. Dat doe ik, op een vrijdagmiddag in januari. 

‘Met Syl,’ zegt ze, ‘we wilden net een stukje gaan wandelen. Wacht even, ik trek mijn schoenen aan.’ 

Sylvia is geboren en getogen Amsterdammer en woonde eenenveertig jaar lang in Diemen. Een krappe twee weken geleden is ze samen met haar man Gerrie naar Muiden verhuisd. ‘Helemaal waanzinnig’, vinden ze het daar.

De zon schijnt, en zoals Sylvia en Gerrie nu samen wandelen, hebben ze eigenlijk altijd alles met zijn tweeën gedaan. Dertig jaar lang runden ze een horecabedrijf en een wijnhandel met elkaar. In 2001 verkochten ze de zaak. 

‘Toen zijn we gaan leven,’ zegt Sylvia, ‘zwemmen, puzzelen, op de kleinkinderen passen. Maar mijn grootste hobby is de boot. Oh, mijn man steekt zijn vinger op. Sorry, jij bent mijn grootste hobby, schat.’ 

Sylvia weet van aanpakken. Ze doet al jaren mee aan Open Joodse Huizen-Huizen van Verzet. Een jaarlijks terugkerend programma waarin verhalen worden verteld in de huizen waarin deze zich afspeelden. Samen met Gerrie staat ze regelmatig als vrijwilliger bij de voordeur. En ze vertelt er elk jaar het oorlogsverhaal van haar joodse vader, die opgroeide in de Retiefstraat in Amsterdam. Hij overleefde dertien verschillende concentratiekampen.
‘Hij was de beste vader van de wereld,’ zegt Sylvia. ‘Een heel zorgzaam, warm en hardwerkend mens. In 2007 is hij overleden.’

Harrie Polak werd in 1942 vanaf het Muiderpoortstation naar kamp Westerbork gedeporteerd. Daar werd hem verteld dat zijn ouders gespaard zouden blijven, als hij de trein naar Auschwitz zou nemen. Hij wist net op tijd te ontsnappen. Zijn vader, moeder en broertje gingen wel op transport. 

‘Er moesten 100 Polen uit de trein stappen. Toen heeft hij geroepen dat hij ook Pools was. Geweldig stoer voor een jongen van zeventien. Het heeft zijn leven gered.’ 

Bezoekers luisteren naar verhalen in de Retiefstraat. Foto: Sven Jacobs

Na de bevrijding is Harrie gaan lopen, weet Sylvia. Toen hij in Berlijn aankwam, heeft hij daar een paard gestolen. Uiteindelijk is hij liftend terug naar Amsterdam gekomen. Daar heeft hij wekenlang op het Centraal Station geslapen, om zijn ouders en broertje op te wachten. Sylvia was een jaar of zeven toen ze het verhaal van haar vader voor het eerst hoorde. ‘s Avonds, als ze in bed lag, fantaseerde ze erover.
‘Ik verzon dat zijn ouders en broertje in Rusland zaten en dat ze geheugenverlies hadden. Dat we ze gingen vinden. Ik hoopte dat zo voor hem.’ 

Na de oorlog schreef Harrie de rest van zijn verhaal op in zijn dagboek. Pas drie jaar na zijn dood heeft Sylvia het durven lezen.
‘Mijn vader sprak niet over de oorlog. Hij vertelde wel eens wat, maar heel weinig. Ik hoorde hem wel eens ‘s nachts om zijn moeder roepen. Als ik hem daar naar vroeg zei hij: als ik je dat vertel, doe je zelf geen oog meer dicht.’

 

De moeder van Sylvia was anders. Ze was charismatisch en met haar felrode haar bekend in heel Amsterdam. Rooie tante Reina, werd ze genoemd. Ze overleed in 2001.

Reina Dias Santilhano was twaalf jaar toen ze samen met haar hele familie in Westerbork terecht kwam. Later werden ze naar Bergen-Belsen gedeporteerd. De familie is tijdens de oorlog altijd samen gebleven.
‘Ze zijn met elf man in die barak aangekomen en met elf man ook weer bevrijd. Ik denk dat zij het daarom anders ervaren heeft. Je ouders zijn een veilige haven op die leeftijd. Dat is heel anders als je alleen bent, zoals mijn vader.’

Reina vertelde honderduit over de oorlog. Ze was er goed in, alsof ze voorlas uit een spannend boek. Sylvia herinnert zich de zaterdagavonden, als de hele familie werd uitgenodigd om bij hen thuis te komen eten. Hoe ze zich onder de tafel verstopte om stiekem te kunnen luisteren naar de oorlogsverhalen van haar moeder.
‘Ze dachten dan dat ik al in bed lag. Ik herinner me dat er heel veel gelachen werd.’

Reina, Harrie en Sylvia, ca. 1960

Alles was bespreekbaar voor Reina. Ook als ze het tegen haar dochter had.
‘’s Morgens om negen uur gingen we in onze pyjama’s in de keuken zitten. ‘s Middags om vier uur zaten we er nog. Mijn moeder was geweldig. Ze had prijzen kunnen winnen als ze de kans had gehad.’

In de kampen was er honger en er gingen mensen dood, vertelde Reina aan Sylvia. Zij en haar zusje speelden tussen de lijken, klommen de stapelbedden op om te kijken wie er al dood was en wie niet. Dat was normaal. Maar er werd ook Chanoeka en Sjabbat gevierd in de barakken. Mensen werden er verliefd, er was seks en er zijn kinderen geboren.
‘Je kan het je nauwelijks voorstellen, maar het leven ging door. Ze moesten wel.’ 

Zo had het gezin in de kampen een geheime taal bedacht. Ze spraken achterstevoren met elkaar, zodat kampgenoten ze niet konden verstaan.
‘Want laten we eerlijk zijn, als er een stuk brood over was, ging je dat niet aan de hele barak vertellen.’

Of die keer dat Reina’s moeder – Sylvia’s oma –  een paar uien uit de keuken van Bergen-Belsen had gepikt. Ze had ze net onder haar trui verstopt, toen ze een Duitse Wehrmacht Soldaat tegen het lijf liep.
‘Maar mijn oma was een mooie meid en die Duitser was een beetje verliefd op haar,’ vertelt Sylvia. ‘Ze had gestolen en daar stond de doodstraf op, maar hij zei: ‘Als u voortaan uien steelt, moet u ook de baarden meenemen. Dan komt niemand erachter.’ Ik lag in een deuk om dat verhaal, ik vond het enig om te horen.’

 

Terwijl Sylvia praat, zie ik haar ouders voor me. Reina enthousiast vertellend, roerend in een pannetje. Harrie rustig en bedachtzaam, aan tafel met de krant.
Ik vraag Sylvia of Gerrie ook iets wil vertellen over zijn familie. Maar dat hoeft niet, zegt ze.
‘Zijn ouders hebben nooit ergens over gesproken, dus hij ook niet. Maar hij staat altijd achter mij, dat vind ik heerlijk.’

‘Je kan niet je leven lang iets blijven herdenken waar je grootmoeder al geen weet meer van heeft. Volgens mij is dat de realiteit.’

Sylvia vertelt zonder inspanning of ongemak. Bijna alsof ze mooie herinneringen ophaalt. Ik vraag me hardop af of dat voor Reina misschien anders was.
‘Als kind hoor je die verhalen en dat accepteer je dan. Maar nu we het er zo samen over hebben, vraag ik me af of mijn moeder het leuk heeft gevonden om ze te vertellen. Misschien vond ze wel dat ik het moest weten. Ik kan het haar nu niet meer vragen.’ 

Als ik Sylvia vraag hoe zij de toekomst van herdenken ziet, antwoordt ze met een wedervraag.
‘Wat weet jij nog van de Tachtigjarige Oorlog?’

Het is moeilijk om je verbonden te voelen met dingen die lang geleden zijn gebeurd, legt ze uit. Sylvia omschrijft dat gevoel als een fysieke afstand. Alsof ze een route van 75 jaar in kilometers op een landkaart heeft uitgestippeld.
‘Ik vond het heel erg toen er oorlog woedde in Joegoslavië in de jaren negentig, maar tegelijkertijd zat ik wel gewoon een boterham met pindakaas te eten.’

Sylvia verwacht niet dat er over veertig jaar nog mensen op de Dam zullen staan.
‘Je kan niet je leven lang iets blijven herdenken waar je grootmoeder al geen weet meer van heeft. Volgens mij is dat de realiteit.’

We nemen afscheid, want Sylvia en Gerrie zijn inmiddels onderweg naar huis.
‘Natuurlijk vind ik het jammer,’ zegt ze, vlak voordat we ophangen. ‘Ik zou willen dat mijn ouders nooit vergeten werden. Maar je doet er weinig aan, dus ga ik me er ook niet druk om maken. Als ik er niet meer ben, is het klaar.’

Ik weet niet of ik het met haar eens ben. 

Toekomst van Herdenken

Na ‘75 jaar Vrijheid’ vraagt het Amsterdams 4 en 5 mei comité zich af: hoe ziet de toekomst van herdenken eruit? In deze serie verzamelen we grote en kleine gedachten van Amsterdammers; van ooggetuigen tot scholieren en van vrijwilligers tot programmamakers. Lees hier hun verhalen.

Merav Pront Projectleider Open Joodse Huizen - Huizen van Verzet
Merav studeerde Sociale Geografie in Amsterdam en Parijs. Ze publiceert verhalen voor het Amsterdams 4 en 5 mei comité en is projectleider Open Joodse Huizen - Huizen van Verzet.