Toekomst van Herdenken
‘Niemand kon hun stem vertolken. Daarom heb ik dat gedaan.’
Wally de Lang gaf 389 mannen hun naam en gezicht terug.
3 maart 2021 - door Merav Pront

Tijdens de razzia’s van 22 en 23 februari 1941 werden er meer dan 400 joodse mannen opgepakt. Terwijl Amsterdammers staakten voor hun terugkeer, werden zij op transport gezet naar een onbekende plek. Wally de Lang deed uitvoerig onderzoek om erachter te komen wat er met hen gebeurde. Ze kwam tot een schokkende ontdekking. ‘Niemand kon hun stem vertolken. Daarom heb ik dat gedaan.’

Stefanie van Odenhoven wacht me op bij de achteringang van het Stadsarchief. De portier had me al binnengelaten, want hij herkende me nog van vroeger. Ik heb hier jarenlang achter de kassa gezeten bij de tentoonstellingszaal, als bijbaantje naast mijn studie.
‘Wally is al in de Hal’, zegt Stefanie, ‘wat goed om je weer te zien.’
We lopen de marmeren trappen op en de grote schuifdeuren door. Stefanie is coördinator tentoonstellingen in het Stadsarchief. We hebben vroeger veel samengewerkt.

De Hal van gebouw de Bazel is hoog en licht. Tot 1999 was hier de ABN-AMRO bank gevestigd. Daarvoor was dit het hoofdkantoor van de Nederlandse Handel-Maatschappij. Als je omhoog kijkt zie je de balustrades van alle zeven verdiepingen onder een glazen dak. De donkerbruine raamkozijnen vormen een contrast met de witte muren. De spekkoek, werd het gebouw vroeger genoemd.

Vandaag staan er steigers bij de hoofdingang. Er worden tientallen banieren opgehangen in de Hal. Smalle stroken van wit zeildoek van bijna een verdieping hoog. Als afgewikkelde perkamentrollen met namen en foto’s er op. Voorzichtig lopen Stefanie en ik er doorheen. Ik lees Abraham Canes, Mozes de Brave, Markus Caransa. Ze bewegen zachtjes heen en weer als ik langs ze loop. 

Op 22 en 23 februari 1941 werden er meer dan 400 joodse mannen opgepakt in Amsterdam. De razzia’s vormden de aanleiding voor de Februaristaking van een paar dagen later. De mannen werden naar concentratiekampen gedeporteerd. Maar wat er precies met ze is gebeurd, wist niemand. Slechts twee keerden levend terug.

Wally de Lang deed ruim drie jaar onderzoek om er achter te komen wie deze mannen waren. Nu ontmoet ik haar tussen hun namen en gezichten in de hal van het Stadsarchief.
Wally is wat je verwacht van een bevlogen onderzoeker. Haastig loopt ze tussen de banieren door en maakt er foto’s van met haar telefoon. 

‘Voor de nabestaanden,’ zegt ze.

‘Mensen zeggen wel eens tegen mij: jij bent altijd met die kampen bezig. Maar dat is niet zo. Ik ben met die mensen bezig.'

Terwijl de tentoonstelling verder wordt opgebouwd, zoeken Stefanie, Wally en ik een rustige plek om te praten. Wally laat ons haar boek zien, dat ze diezelfde ochtend bij de drukker heeft opgehaald. ‘Het lot van 389 Joodse mannen’, lees ik op de kaft.

‘De razzia’s zijn binnen twee of drie dagen op touw gezet,’ vertelt Wally. ‘De Duitse politie heeft toen een gebied van zo’n drie vierkante kilometer afgezet en iedereen opgepakt die daar toevallig woonde of op straat liep. Ze konden geen kant op.’

De razzia’s waren een reactie van de Duitse bezetter op de onrust in de stad. In de winter van 1941 gingen er steeds vaker rechts-radicale groepen de straat op. ‘Om te demonstreren tegen het Joodse proletariaat’, schreef een journalist in 1941 in zijn dagboek.

In de avond van 11 februari was het weer raak. Een groep mannen van de Weerbaarheidsafdeling van de NSB was slaags geraakt met joden en communisten. Rond een uur of zeven, ter hoogte van het speeltuintje op het Waterlooplein. Na afloop werd WA’er Hendrik Koot bewusteloos op de grond gevonden. Drie dagen later overleed hij aan zijn verwondingen.

Kort daarna verscheen er een aanplakbiljet op straat. ‘Terwijl nog de beestachtige vermoording van een Nederlandsch nationaalsocialist (…) in aller herinnering ligt,’ opent het affiche. Er zouden 400 joodse mannen worden opgepakt als vergelding.

‘Mensen hebben geprobeerd het aanplakbiljet van de muur af te trekken,’ vertelt Wally, ‘en dat gebeurde met gevaar voor eigen leven. Het is niet gelukt.’ 

Aanplakbiljet ter aankondiging van de razzia's van 22 en 23 februari 1941. Collectie NIOD

Het aanplakbiljet heeft er kort gehangen en waarschijnlijk niet in de Jodenbuurt. De meeste joden wisten niets van de razzia’s af.
‘Stel je voor,’ zegt Wally, ‘je loopt op dat plein en je bent negentien jaar. En dan komt er een bewapende Duitser naar je toe met een helm op en hij zegt: ‘Sind Sie Jude?’ Wat zeg je dan?’

Op zaterdagavond verlieten de eerste vrachtwagens het centrum van de stad. Zondag zouden er meer volgen. 389 van de 400 mannen werd via doorgangskamp Schoorl naar Buchenwald en Mauthausen gedeporteerd. Wally onderzocht hun geschiedenis stuk voor stuk.

‘Ik heb alle archiefkaarten van alle mannen en hun ouders uitgedraaid. Zo ontdekte ik wanneer ze geboren waren en waar ze woonden. Of ze broers of zussen hadden, een vrouw of kinderen. Als je dat dan zo achter elkaar zet, zie je dat er soms meerdere zoons of broers uit een gezin zijn opgepakt. En dat er jonge vrouwen achterbleven die in verwachting waren.’

Zo was er Elkan Polak uit de Nieuwmarktbuurt. Hij was marktkoopman en in zijn vrije tijd fervent wielrenner. Hij was eenentwintig jaar toen hij door de Duitsers werd gearresteerd. Die zomer zou zijn vriendin Branca Emmerik bevallen van een zoontje. Een paar dagen later werd Elkan vermoord.

Of de broers Machiel en Jacob Wertheim. Ze kwamen uit een arm gezin, dat tot aan het begin van de oorlog zesentwintig keer verhuisde. Jacob liet zelfs zijn acht maanden oude zoontje achter in het portaal van de ambtenaar van het steunkantoor. Vanwege ‘broodgebrek’, staat er in zijn dossier. Machiel en Jacob werden in maart en oktober afzonderlijk van elkaar vermoord.

Elkan Polak. Stadsarchief Amsterdam
Machiel Wertheim. Stadsarchief Amsterdam

Wally maakte lange lijsten in Excel-sheets. Van alle mannen hield ze hun overlijdensplaats en -datum bij. De lijst is repetitief: 1941 of 1942, Buchenwald of Mauthausen. Totdat Wally iets geks ontdekte.

‘Ik wist dat er een groep van 340 mannen van Buchenwald naar Mauthausen was gestuurd. Al snel bleek dat 150 van hen in de week van 1 tot en met 6 september waren omgekomen. In hun achternamen was een zekere alfabetische volgorde zichtbaar. Ik schrok toen ik dat zag.’

Na lang doorzoeken ontdekte Wally dat deze mannen Mauthausen nooit zouden bereiken. Ze werden met bussen naar een nabijgelegen kasteel gebracht. Hartheim, heette het.

‘Ze hadden in dat kasteel heel stiekem een kleine gaskamer gemaakt van vijfentwintig vierkante meter. Daar konden elke keer ongeveer dertig mensen in. Onze Nederlandse mannen werden daar vergast, in alle stilte en in het grootste geheim. De kennis die bij deze experimenten werd opgedaan, is later in de concentratiekampen toegepast.’ 

'En dan komt er een bewapende Duitser naar je toe met een helm op en hij zegt: ‘Sind Sie Jude?’ Wat zeg je dan?’

Ik kijk naar Wally’s boek, voor me op tafel. Ik voel een knoop in mijn maag. Wally vertelt met precisie en urgentie. Iedereen moet dit horen, klinkt het in haar stem. En toch kan ik er bijna niet naar luisteren, zeg ik haar na afloop. Wally knikt.

‘Mensen zeggen wel eens tegen mij: jij bent altijd met die kampen bezig. Maar dat is niet zo. Ik ben met die mensen bezig. Mensen die droomden van een mooi leven, een gezin en een goed inkomen. Ze werden verliefd, stonden zoenend langs de Amstel. Door die oorlog zijn we geneigd om te vergeten dat die mensen daarvoor ook een heel leven hebben gehad. Niemand kon hun stem vertolken. Daarom heb ik dat gedaan.’

Voordat we afscheid nemen lopen Stefanie, Wally en ik nog één keer over de balustrade van de eerste verdieping. We kijken uit over de tentoonstelling, beneden in de Hal.

‘Er zijn heel veel mensen die uit gezinnen kwamen waarvan iedereen is vermoord,’ zegt Stefanie, ‘dus wie heeft er aan hen nog herinneringen? Dat is het bijzondere aan het archief; het maakt geen onderscheid. Iedereen komt erin terug.’

Later, als ik thuis ben, bekijk ik de lijsten in de bijlagen van Wally’s boek. In de lijst van mannen die vermoedelijk in Hartheim zijn vermoord, lees ik de naam van wielrenner Elkan Polak. Hij staat op nummer zeven.

Het blijkt moeilijk om meer dan drie jaar onderzoek in één gesprek te vatten. Wally belooft me nog wat informatie na te sturen. Dat doet ze diezelfde avond nog. Ze heeft nog eens nagedacht, schrijft ze me. Over de vraag die ik haar stelde over de toekomst van herdenken: ‘Zoals ik ook in mijn voorwoord zeg: Door de mannen in het licht te zetten, weten we dat (…) ze bij ons horen en niet vergeten mogen worden.’

Wally vond de toekomst van herdenken tussen de oudste documenten van de stad. Want je kunt onmogelijk herinneren wat je nooit geweten hebt. Ze hoopt dat de herdenking van de Februaristaking voor altijd anders zal zijn. Ze eindigt haar brief met een citaat:

 

 

Denn die einen sind im Dunklen
Und die anderen sind im Licht
Und man sieht nur die im Lichte
Die im Dunkeln sieht man nicht.

Driestuiveropera, Bertold Brecht

De tentoonstelling De razzia’s van 22 en 23 februari 1941 in Amsterdam is te bezoeken in de Hal van het Stadsarchief zodra de musea weer open mogen. Lees de biografieën van alle 389 mannen op www.amsterdam.nl/stadsarchief.

Het boek De razzia’s van 22 en 23 februari 1941 in Amsterdam. Het lot van 389 Joodse mannen van Wally de Lang is verkrijgbaar in de boekhandel.

Toekomst van Herdenken

Na ‘75 jaar Vrijheid’ vraagt het Amsterdams 4 en 5 mei comité zich af: hoe ziet de toekomst van herdenken eruit? In deze serie verzamelen we grote en kleine gedachten van Amsterdammers; van ooggetuigen tot scholieren en van vrijwilligers tot programmamakers. Lees hier hun verhalen.

Merav Pront Programmamaker
Merav studeerde Sociale Geografie in Amsterdam en Parijs. Sinds 2021 publiceert ze verhalen voor het Amsterdams 4 en 5 mei comité.